Hoofdstuk één

Voor in een kerkbank zitten tijdens een begrafenis had me altijd bang gemaakt, omdat het verlies dan zo persoonlijk voelde.

Ik herinnerde me dat ik maanden geleden een schoolmeisje in de voorste bank zag zitten tijdens de begrafenis van haar vader. Ik herinnerde me dat ik medelijden met haar had terwijl ze haar ogen uit haar kop huilde. Wat ik me niet had kunnen voorstellen, was dat ik een paar maanden later dat meisje zou zijn.

Het was een nachtmerrie. Dat móést wel. Maar hoe vaak ik ook knipperde of in mijn arm kneep, ik werd niet wakker. In plaats daarvan zat ik nog steeds in de voorste bank, omringd door meelijwekkende blikken van vrienden en zakenrelaties, en toch klopte er niets van.

Het enige wat wél klopte, was het grote portret van mijn moeder dat voor de kist was neergezet. Haar warme glimlach leek me te bespotten, een wrede herinnering aan wat ik had verloren.

Ik weigerde te geloven dat zij de persoon was die in die kist lag. Het sloeg nergens op. Het ene moment was ze er nog, bij mij, en het volgende moment was ze weg.

Ik liet mijn blik over de menigte gaan en ving de met medelijden gevulde blikken van de mensen om me heen. Sommige gezichten waren bekend, andere waren volslagen vreemden, maar ze hadden allemaal dezelfde meelevende uitdrukking. En toch, ondanks dat ik omringd was door mensen, voelde ik me totaal alleen. Ik had geen familie, geen echte vriend om op te steunen.

Mijn telefoon lag in mijn schoot, het bericht van mijn vriend een constante herinnering aan zijn afwezigheid.

“Het spijt me dat ik er niet bij kon zijn, prinses. Mijn vader heeft me een shitload aan werk gegeven, maar ik maak het goed. Wees sterk voor mij, liefje.”

Zijn woorden gaven me een vluchtig gevoel van troost, en ondanks alles verscheen er een flauwe glimlach op mijn lippen. Ethan dacht tenminste aan me, ook al kon hij hier niet zijn. Ik begreep het. Ik wist hoe veeleisend zijn vader kon zijn, vooral omdat Ethan werd klaargestoomd om het stokje over te nemen als CEO van het familiebedrijf.

Tussen de droevige glimlachjes, zachte kneepjes in mijn schouder en eindeloze woorden van troost ging de rest van de begrafenis in een waas voorbij. Uiteindelijk werd de kist in de grond neergelaten, in onze achtertuin.

Ik bleef daar staan, wat uren leek te duren, niet in staat om te bewegen. Langzaam viel de menigte uiteen tot ik helemaal alleen was. De zon zakte onder de horizon en wierp lange schaduwen over de lege tuin, en pas toen dwong ik mezelf terug het huis in.

Stil. Hol. Leeg.

Het huis was alles wat ik vanbinnen voelde. Ik kon niet langer op eigen benen blijven staan; mijn knieën knikten onder me weg en ik stortte neer op de vloer. Ik trok mijn knieën tegen mijn borst en de eerste traan sinds die afschuwelijke nacht rolde eindelijk over mijn wang.

Hoe het me zo lang was gelukt mijn tranen tegen te houden, was zelfs voor mij een raadsel, maar na die eerste traan kon ik niet meer stoppen. Ik wilde het ook niet. Het voelde alsof mijn hart uit elkaar werd gerukt terwijl ik huilde om het verlies van mijn moeder. Mijn beste vriendin. De enige familie die ik had.

De pijn was ondraaglijk, en ik wist dat ik het huis uit moest voordat het me volledig opslokte. Met trillende benen dwong ik mezelf overeind en rende het huis uit, met één bestemming in mijn hoofd.

Ik had Ethan nodig. Ik kon dit niet alleen. Ik kon geen seconde langer in dat huis blijven, wanneer alles me aan mijn moeder herinnerde en haar geur nog in elke kamer hing.

Ik rende zo hard als mijn benen me konden dragen. Mijn longen brandden, mijn ledematen protesteerden en elke ademhaling voelde zwaarder dan de vorige, maar ik stopte niet. Ik kon niet. Geen enkele lichamelijke pijn kon tippen aan de ondraaglijke pijn in mijn borst.

Ik had hem nodig.

Ik rende nog sneller en stopte pas toen het hoge dak van zijn huis in zicht kwam. Ik zakte neer naast de voordeur, happend naar adem. Na een paar seconden dwong ik mezelf overeind en liep naar binnen.

Ik had geen spiegel nodig om te weten dat ik er verschrikkelijk uitzag, maar Ethan zou dat niets kunnen schelen. Hij had me eerder op mijn slechtst gezien en was altijd aan mijn zijde gebleven. Tenminste, dat was wat ik geloofde.

Hij was waarschijnlijk nog bezig met werk, maar ik kon niet langer bij hem wegblijven. Ik had het gevoel dat ik gek werd. Na wat een eeuwigheid leek, al waren het maar een paar minuten, haalde ik diep adem en klopte aan.

De deur ging open en Sandra verscheen, de huishoudster die al jaren voor de familie werkte.

‘Och, lief kind.’ Ze legde een hand op haar borst en haar gezicht trok meteen meelevend.

Daar was het weer. Diezelfde blik die ik de hele dag al van iedereen had gekregen.

Ik slikte de brok in mijn keel weg. ‘Waar is Ethan?’ Mijn stem klonk schor, bijna vreemd in mijn eigen oren.

‘Ik denk dat hij op zijn kamer is. Heb je—’

Voor ze haar zin kon afmaken, was ik al de wenteltrap op. Het enige wat ik wilde, was verdwijnen in de armen van mijn vriend en alles vergeten wat er gebeurd was.

Ik was net bij de gang die naar zijn kamer leidde toen een vaag geluid me abrupt deed stilstaan. Mijn hoofd kwam meteen in opstand tegen wat ik hoorde.

Ik veegde mijn tranen weg met de rug van mijn hand, in de hoop dat ik het me verbeeldde.

Toen hoorde ik Ethans stem.

Mijn hele lichaam verstijfde en mijn hart begon wild tegen mijn ribben te bonzen. Ik schudde mijn hoofd, weigerde te geloven wat er gebeurde terwijl ik langzaam naar zijn slaapkamer liep.

De deur stond op een kier. Ik duwde hem verder open en het tafereel voor me verbrijzelde wat er nog over was van mijn toch al gebroken hart.

Ethan was bij een andere vrouw.

Een paar seconden bleef ik alleen maar staan, verstijfd. Als iemand me had verteld dat ik hem zo zou betrappen, terwijl hij me verraadde, had ik diegene een leugenaar genoemd. Maar daar was hij: mijn vriend van vier jaar, de man die ik meer dan wie ook had vertrouwd.

Hij bedroog me.

Ze waren zo in beslag genomen door wat ze aan het doen waren dat ze me pas opmerkten toen er een snik uit mijn lippen ontsnapte.

Ethan draaide zich om, zijn ogen werden groot van schrik. ‘Sophia!’

Gehaast raapte hij zichzelf bij elkaar en greep iets om zich te bedekken, waarna hij bij de vrouw vandaan schoot.

‘Je hebt niet gezegd dat je zou komen.’

Mijn borst ging heftig op en neer terwijl ik hem aanstaarde. ‘Dus dit was het?’ vroeg ik met een klein, trillend stemmetje. ‘De reden dat je niet naar de begrafenis van mijn moeder kon komen, was omdat je hier met een andere vrouw was?’

‘Ik kan het uitleggen, Sophie. Luister gewoon even naar me, lieverd.’

‘Ga je gang.’ Mijn stem was zacht, maar trilde van woede. ‘Leg uit.’

Ethan staarde me aan. Zoals ik al had verwacht, had hij helemaal niets te zeggen.

Ik schudde mijn hoofd terwijl er meer tranen over mijn wangen gleden. ‘Ik haat je, Ethan.’

‘Lieverd—’

‘Je hebt me op de ergst mogelijke manier pijn gedaan, en ik zal je nooit vergeven.’

‘Alsjeblieft—’

‘Vier jaar, Ethan!’ Mijn stem brak toen ik het uitschreeuwde. ‘Vier jaar! Hoe kon je me dit aandoen?’

Zijn gezicht verstrakte. ‘Geef mij niet de schuld als het ook jouw schuld is!’

Ik staarde hem aan, vol ongeloof.

‘We zijn vier jaar samen, maar jij wilde die stap nooit met me zetten. Ik heb ook behoeften! Wat verwachtte je dat ik zou doen?’

Mijn hart zonk. ‘En mij verraden was jouw oplossing?’

‘Nou, misschien als jij niet zo moeilijk deed, was het niet zover gekomen.’ Hij snoof. ‘Wie weet trouwens of jij wel zo onschuldig bent als je beweert? Voor hetzelfde geld doe je alsof, terwijl je achter mijn rug om gewoon doet waar je zin in hebt.’

Mijn hand bewoog voordat ik mezelf kon tegenhouden.

De klap galmde door de kamer.

Ethans hoofd schoot opzij.

Ik staarde hem aan, tranen stroomden over mijn gezicht. ‘Je bent walgelijk.’

Mijn stem was nauwelijks meer dan een fluistering. ‘We hebben samen babynamen uitgezocht.’

Er flitste iets over zijn gezicht, maar het kon me niets meer schelen.

‘Ik hield van je.’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Maar nu haat ik je.’

Ik draaide me om en rende weg.

Tranen vertroebelden mijn zicht terwijl ik de kamer uit vluchtte, de man achterlatend van wie ik ooit had gedacht dat hij nooit in staat zou zijn mijn hart te breken.

Volgend Hoofdstuk