Hoofdstuk veertien

Ik kon hem niet zo laten winnen. Hij kon niet het laatste woord hebben. Ik was kwaad, en hij moest dat weten.

Ik stormde op hem af en bleef pal voor hem staan, waarna ik hem een scherpe klap op zijn borst gaf.

„Ik haat je, ik haat je, ik haat je!” schreeuwde ik, terwijl ik bleef slaan op zijn bors...

Log in en ga verder met lezen